Michelle Andon

3. nov, 2013

`Het leven is niet eerlijk. Aan alles komt een eind. Morgen weer een nieuwe dag.´ Ik typ deze zinnen zo snel ik het kan en haal ze vervolgens achterwaarts weg. In het venster dat op mijn beeldscherm open staat, verschijnt een huilende smiley. De relatie van mijn oudste met haar eerste vriend is na ruim twee jaar stuk gelopen.

 

Ik twijfel aan mijn reactie. Wat heeft die arme meid aan een paar uitspraken die iedereen gebruikt als we het even niet meer zien zitten? Diep in mijn geheugen graf ik naar een soortgelijke episode. Adolescentietijd. Wat wilde ik horen? Zat ik toen echt op clichés te wachten?

 

 Of hoopte ik op een belofte, een drankje dat mijn pijn genezen kon? Ik weet nog dat ik wilde dat die ervaring mij gespaard gebleven was. Ik schreeuwde dat ik dat niet verdiende en zwoer dat mij zoiets  nooit meer overkomen zou, terwijl ik iedere dag stiekem huilde, naar school ging, at, mijn tanden poetste, sliep, goedemorgen zei en tot ziens, schopte sneeuwmannen in de winter en bluste zomers in de zee. Al die tijd geloofde ik dat ik anders dan anderen was en geen clichés nodig had.

 

Ik schuwde ze toen, omdat ik de werkelijkheid niet aan kon, maar gaandeweg zag ik dat mensen nog een reden hadden om clichés te haten: hun leven was saai. Het moest aandoenlijker, interessanter, begeerlijker worden. Hun haat werd met de jaren groter. Ze kopen nu een ticket naar de maan, alsof de aarde geen geheimen meer voor ze heeft, verafschuwen gedichten en klassieken en zijn op zoek naar vijftig tinten grijs. Het is voor hen een schande als jij je aan clichés vasthoudt.

 

Terwijl clichés doorgaans de waarheid spiegelen. Ik kan me niet meer herinneren hoe vaak heb ik gehoord dat wat mij niet doodt, mij sterker maakt. En hoeveel keer heb ik dat achteraf beaamd. Ik kijk naar het scherm en ik zie dat mijn dochter offline is gegaan. Ze was het wachten op mijn reactie beu.

 

Ik twijfel niet meer, ik weet wat ik ga schrijven: `Ik houd van jou´. Het grootste cliché van allemaal.

 

 

 

 

 

27. okt, 2013
Begin dit jaar heb ik besloten om terug naar mijn roots te gaan. Op vakantie. Dochter van elf kon haar geluk niet op, eindelijk kreeg ze de kans om het geboorteland van haar moeder te zien.

Ze heeft de eerste week van mei gekozen. Als geslaagde kruising tussen een Roemeense vrouw en een Nederlandse man zou ze anders, bij een temperatuur van boven de vijfentwintig graden, Gilles de la Tourette trekjes vertonen.
Zelf kampte ik met het probleem dat we bestolen zouden kunnen worden. De meeste nieuwsberichten schetsten in mijn hoofd het beeld van een Roemenië dat steeds door Hunnen aangevallen wordt, vermomd als zijn eigen bewoners.

Ik heb me volgepropt met tips tegen diefstal.

Van het cliché ` goed op je spullen letten´, tot een minicursus psychologie over hoe je een zakkenroller kunt herkennen. Omdat de laatste vrij racistisch klonk, besloot ik om praktisch te blijven: tickets en waardevolle papieren in een nektasje, een deel van het geld in portemonneetjes met kettingen vastgezet aan mijn broek, de rest ervan in twee telefoonhoesjes, verborgen in een paar beenwarmers die ik normaal gesproken nooit zou dragen.

We hebben goedkope jassen aangetrokken, goedkope schoenen, de onopvallendste koffer aangeschaft en, hup, naar het vliegveld.

Bij de gate vroeg de douaneagent of we alle metalen spullen in het bakje wilden leggen: horloge, riem, oorbellen, heupprothese.
Het duurde zo´n tien minuten tot ik de kettingringen van de portemonneetjes uit de lusjes losmaakte. Met het zweet druipend langs mijn slapen liep ik door de detectorpoort. Pieeeep!

Afschuwelijk geluid.

`Overgebleven muntjes soms, mevrouw?´ Nee, mijn broekzakken zijn leeg, dacht ik, terwijl ik die nogmaals betastte. Toen zuchtte ik opgelucht, want ik was natuurlijk de beenwarmers vergeten. Ik schoof de jeanspijpen omhoog en trok de telefoonhoesjes met metalen ritsen eruit. Hij maakte ze open, keek naar de inhoud en zei: `Ik doe dit werk al jaren en dit heb ik nog nooit gezien.´
Mijn dochter zette haar SpongeBob lach op. Ik gaf haar een hatelijke blik, leunde naar de agent toe en staarde hem aan: `Ik ga naar Roemenië, hoor!´

Op de tweede vakantiedag ben ik erachter gekomen dat ik de koffer gewoon naast de bank kon zetten, in plaats van hem op schoot te houden in de trein, en onze jassen toch over de stoelen mochten hangen, op het terras, met dertig graden.

We zijn prima thuisgekomen, hebben ons redelijk vermaakt en hadden nog geld over ook.

 

 

 

21. okt, 2013

De dahlia´s in mijn tuin zijn tot mijn middel gegroeid. Had ik niet verwacht, eind mei, toen ik het zaagsel om de vergeten knollen weggeveegd had en deze in de grond gestopt. Ik heb ze vorig jaar gekocht: rood, paars, wit. De bonte dahlia´s die oma had, kon ik maar nergens vinden.

 

 Ze was net zo verzot op haar bloemen als op haar kinderen. Tijdens de hete zomerdagen liep ze altijd met een gieter met een mengsel van water en meststof rond. De knoppen van dahlia´s oogden tegen de herfst zo dik, dat je had kunnen zweren dat ze zwanger waren van babybloemen.

 

Als klein meisje lag ik vaak op een kleedje in hun schaduw de Bijbel te lezen.  Met plagende stem vroeg oma mij dan of ik soms met de zoon van onze pastoor wilde trouwen. `Ik kan een goed woordje voor je doen,´ zei ze daarbij. Zonder mijn blik van de verbleekte pagina´s op te tillen, liet ik snel mijn tong zien, als enig verdiende antwoord op haar vraag. Ze lachte toen zoals een goede heks zou lachen, en stak nog een stevige houten stok diep in de aarde, waarop het vorstelijk gewicht van één van haar dahlia´s moest steunen.

 

Nee hoor, ik was niet van plan om met dat joch te trouwen, dat in zijn puik gestreken kleren door het dorpje liep, als onze haan in onze achterhof. Ik las de Bijbel omdat ik dat het boek met de mooiste verhaaltjes vond, ergens op de bodem van haar bruidschatkist. Vooral het laatste verhaal, waarin alle doden uit hun graven opstaan, boeide mij. In mijn kinderogen waren ze een soort zombies die in normale mensen werden getoverd, om happily ever after te leven.

 

Later, op het college, ontdekte ik Plato, de denker die uiteindelijk vaststelde dat eigenlijk alleen ons lichaam doodgaat, onze ziel is onsterfelijk. Wat impliceert dat er geen straf of beloning voor onze daden bestaat en dat we samen met alle rotte appels de hemelsmand moeten delen. Geef mij dan maar de eeuwige dood.

 

Mijn dahlia´s zijn hoog geworden. Ik heb ze vorig jaar gekocht, toen oma mijn wereld verliet, na vijf dagen bewusteloos te zijn geweest. Voordat ze haar laatste adem uitblies, rolde er langzaam één enkele traan uit haar gesloten ogen op haar wang.

 

Ik geloof dat ze zich toen tussen haar dahlia´s bevond en afscheid van ze nam.

 

 

 

 

18. okt, 2013

Het heeft geen nut meer om iemand aan te staren als je je standpunt opdringt. Oogcontact helpt niet bij overtuigen, blijkt uit recentelijk onderzoek. Dit had ik zelf heel lang geleden al ontdekt, toen ik nog niet de mensen om me heen recht aan durfde te kijken. Nadat ze op een dag Rain Man op televisie zag, besloot mijn moeder dat ik autistisch was en smeekte me om hulp te zoeken.

 

Vijf minuten per dag een onbekende diep in de ogen kijken, luidde het doktersadvies. Vrouwen verklaarden me voor pot, mannen geloofden dat ik naar hun verlangde, geen idee hoe ze daar op kwamen, dus ik koos een hond for to begin with. Een rottweiler. Ik verzamelde al mijn moed en ik ging hem straight in zijn baksteenkleurige ogen kijken. Na enkele seconden gutste het speeksel langs zijn ontblote hoektanden alsof hij honderd Pavlov -tekens tegelijk opving. Ik hield heroïsch stand tegen zijn oorverdovende geblaf dat ik probeerde kalm in toom te houden, daarna verliet ik het hek waarachter hij zich bevond, verzoend met de gedachte dat mijn blik geen levend wezen ooit kan beïnvloeden.

 

Maar oefening baart kunst en na een paar sessies lepels ombuigen op Uri Geller- wijze, niet dus, ging ik steeds langer in de kijkers van mensen gapen. Zo kwam ik achter dat de ogen als het ware de spiegels van je ziel zijn, en als Bill Clinton iets over deze anders overduidelijke bevinding van Da Vinci wist, had hij zijn volk niet onbekommerd rechtstreeks aangekeken en betuigd `I did not have sexual relations with that woman´ en hadden Americanen nog steeds een president die Joden als Pinocchio´s neerzette.

 

Oogcontact helpt dus niet bij overtuigen, maar…wel als je wilt weten wat de ander werkelijk bekokstooft. Zie je de blik van de spreker niet, dan ben je sneller geneigd om zijn onzin te slikken, beweert het onderzoek. Putin weet dat. Waarschijnlijk op dezelfde manier achtergekomen zoals ik. Daarom als hij Obama handenschudt en hem succes wenst, tuurt hij gauw de andere kant op. Of loert hij met één oog naar zijn gezicht, zoals een vogel loert. Want hij wil natuurlijk overal als de kippen bij zijn.

 

                       

 

14. okt, 2013

De oprichter van Facebook moet een bemoeiziek mens zijn. `Wat ben je aan het doen?´ staat iedere ochtend weer op mijn tijdlijn. Ik peuter grondig in mijn neus, wat denk je dat ik doe. Ik schrijf dat niet op, want dat is goor, ik open meteen de startpagina, want hier vind ik alle postjes van mijn vrienden. Ik neem de verse door, en zeg overal ja en amen op. Uit beleefdheid. Soms uit ergernis. Niemand een verschrikkelijke nachtmerrie, stroomstoring, of liever nog allebei tegelijk meegemaakt vannacht?

 

Meestal struikel ik over foto´s met dieren, de beste muziekkeuzes passend bij de laatste gemoedsstemmingen en nieuwe profielfoto´s, want tja, het zelfvertrouwen moet groot blijven. Vooral de oudere leden zetten er een foto op uit hun jeugdige jaren, toen ze nog goed in de markt lagen. Dus steek ik bij wijze van spreken bij iedere boodschap een duimpje omhoog, dan stuur ik een vriendschapsverzoek naar een vriend van een vriend van een vriend, die meer dan 500 `vrienden´ heeft.  Negen van de tien keer gaat hij mij toevoegen – wat maakt het uit, nog een volslagen vreemde bij? Hem niets, mij wel, want ik sta nog wazig in het Facebook vizier. Je bent niet zichtbaar als je geen horde `vrienden´ hebt.

 

Rond twaalf uur worden de late buddy´s wakker. Je merkt het aan hun status: `Zo, zo, eerst een bakkie koffie, vind je niet?´  Of `Lekker, een biertje op je lege maag.´ Zodra de mist in hun oogbollen zich terugtrekt, klikken ze ook op ` ik vind het leuk´ bij mijn berichten. Alsjeblieft zeg.

Is een vriend jarig, dan wordt hij met toeters en bellen gefeliciteerd, maar jou op zijn verjaardag uitnodigen, ho maar.

 

Er zitten ook veel schrijversvrienden tussen. Die geven gewoonlijk geen reacties op reacties. Ze doen me denken aan mijn kat, als ik haar roep gezellig op mijn schoot te komen. `Kom, Tasha!´ Niets. `Tasha, kom hier, haarbal!´ Niets. Ze ligt daar op de grond met haar ogen dicht en haar snorharen gestopt tussen haar voorpoten. Pas als ik het geluid maak dat haar eten voorstelt, slaat ze haar oortjes naar achteren, bruusk geïnteresseerd.

 

Sommige schrijversvrienden hebben zich al bewezen. Iedere keer als ik hun namen tegenkom, voel ik een stel priemende ogen achter de vraag van Zuckerberg opdoemen: `Wat ben je aan het doen? Zit je weer te gluren op mijn site in plaats van te schrijven? ´