27. okt, 2013

Zakkenrollers

Begin dit jaar heb ik besloten om terug naar mijn roots te gaan. Op vakantie. Dochter van elf kon haar geluk niet op, eindelijk kreeg ze de kans om het geboorteland van haar moeder te zien.

Ze heeft de eerste week van mei gekozen. Als geslaagde kruising tussen een Roemeense vrouw en een Nederlandse man zou ze anders, bij een temperatuur van boven de vijfentwintig graden, Gilles de la Tourette trekjes vertonen.
Zelf kampte ik met het probleem dat we bestolen zouden kunnen worden. De meeste nieuwsberichten schetsten in mijn hoofd het beeld van een Roemenië dat steeds door Hunnen aangevallen wordt, vermomd als zijn eigen bewoners.

Ik heb me volgepropt met tips tegen diefstal.

Van het cliché ` goed op je spullen letten´, tot een minicursus psychologie over hoe je een zakkenroller kunt herkennen. Omdat de laatste vrij racistisch klonk, besloot ik om praktisch te blijven: tickets en waardevolle papieren in een nektasje, een deel van het geld in portemonneetjes met kettingen vastgezet aan mijn broek, de rest ervan in twee telefoonhoesjes, verborgen in een paar beenwarmers die ik normaal gesproken nooit zou dragen.

We hebben goedkope jassen aangetrokken, goedkope schoenen, de onopvallendste koffer aangeschaft en, hup, naar het vliegveld.

Bij de gate vroeg de douaneagent of we alle metalen spullen in het bakje wilden leggen: horloge, riem, oorbellen, heupprothese.
Het duurde zo´n tien minuten tot ik de kettingringen van de portemonneetjes uit de lusjes losmaakte. Met het zweet druipend langs mijn slapen liep ik door de detectorpoort. Pieeeep!

Afschuwelijk geluid.

`Overgebleven muntjes soms, mevrouw?´ Nee, mijn broekzakken zijn leeg, dacht ik, terwijl ik die nogmaals betastte. Toen zuchtte ik opgelucht, want ik was natuurlijk de beenwarmers vergeten. Ik schoof de jeanspijpen omhoog en trok de telefoonhoesjes met metalen ritsen eruit. Hij maakte ze open, keek naar de inhoud en zei: `Ik doe dit werk al jaren en dit heb ik nog nooit gezien.´
Mijn dochter zette haar SpongeBob lach op. Ik gaf haar een hatelijke blik, leunde naar de agent toe en staarde hem aan: `Ik ga naar Roemenië, hoor!´

Op de tweede vakantiedag ben ik erachter gekomen dat ik de koffer gewoon naast de bank kon zetten, in plaats van hem op schoot te houden in de trein, en onze jassen toch over de stoelen mochten hangen, op het terras, met dertig graden.

We zijn prima thuisgekomen, hebben ons redelijk vermaakt en hadden nog geld over ook.