De fijnspar - kerstverhaaltje

 

Je denkt toch niet dat ze jou gaan kiezen, kleintje!´ zei de Nordmann-spar. `Niemand wil een struik als kerstboom in huis.´ Hij boog zich voor de verkoper en de man die naar hun tweeën wees. `Ik zie het al voor me. Gouden ballen en lichtjes die mijn zilverblauwe tint tot haar recht laten komen. Tijd om iedereen omver te blazen met mijn schoonheid,´ voegde de Nordmann toe.

De fijnspar liet zijn commentaar wegwaaien. Zelf wilde hij de kwekerij nooit verlaten. De sneeuw, de vogels, zijn dennenappels in de zomer zou hij voor geen Kerst willen missen.

De mannen kwamen dichterbij. Ze bekeken de Nordmann van top tot teen en knikten tevreden. Een van hen haalde een handzaag door zijn stam en hij viel op de grond, als een jonge merel uit zijn nest. De fijnspar meende een kreun te horen, maar het kon ook gewoon de wind die zijn naalden deed sidderen zijn geweest.

Daarbij ontstond er nieuwe ruimte onder de hemel. Hij strekte zijn takken uit en liet ze door de zon opwarmen.

`Hier, mama, deze. Hij is net zo klein als ik!´

`Klopt. En hij past net binnen ons budget.´

De fijnspar schrok. Hadden ze het over hem? Als antwoord haalde de verkoper hem uit de grond, wikkelde zijn kluit in een jutedoek en gooide een plastic zak over zijn kop. Toen viel hij flauw.

Hij werd wakker doordat zijn haarwortels nat aanvoelden. Die waren in een pot gestopt en een meisje was ze water aan het geven.

Hierna begon ze hem te versieren. Haar moeder hielp haar sterretjes uit gekleurd papier maken. Ze bracht daarna een kom met vierkante kaakjes. Met een dikke naald stak ze in ieder biscuit een draadje. Het meisje moest het hiermee vastmaken aan zijn takken. Soms stopte ze het kaakje in haar broekzak en moeder sloeg haar zachtjes op haar hand. Toen giechelde de fijnspar met hen mee.

Ineens gingen ze dansen en zingen: `O dennenboom, o dennenboom/Wat zijn jouw takken wonderschoon.´

De fijnspar bloosde en tuurde uit het raam. Bij de buren aan de overkant zag hij plots Nordmann staan. Groot, rijk aan versiersels en alleen. Zijn kroon was bijna uitgedroogd. Niemand die hem water gaf, niemand die zijn pracht bewonderde. De fijnspar zuchtte.

Later groeven het meisje en haar moeder een kuil in de tuin en stopten zijn kluit erin. Het deed hem goed, die frisse lucht.

Hij groeide. Zo hoog als de Nordmann. Maar af en toe miste hij iemand die voor hem zong en danste. 

 

(kerstbundel Verwarm ons, Stichting Poesia, 2014)

Rode wijn

 

Met een bleek gezicht hing hij op en legde zijn mobiel op de salontafel. Vanuit zijn fauteuil staarde hij een poosje naar zijn telefoon, toen richtte hij zijn strakke blik op mij.

Een koude rilling liep plotseling over mijn rug. ´Wat is er, Tom?´ vroeg ik gauw en liet het lijfje van ons dochtertje Katie los. Haar kietellach stopte en ze kon zich weer ontspannen naast mij op de bank. Ze pakte de afstandsbediening en begon gedreven te zappen.

´Mijn moeder heeft jou gisteren in de metro gezien´, perste hij ieder woord er uit, alsof ik meer uit zijn mededeling moest opmaken.

Voor een paar tellen bleef ik stil: Hoezo, heeft ze mij gezien? Was ik samen met Nick? Is dat wat hij bedoelt? De gedachten flitsten rusteloos door mijn hoofd.

´Oh,´ zei ik gokkend, ´ik heb haar niet opgemerkt. Anders had ik een babbeltje met haar kunnen maken.´ Mijn mondhoeken vormden een rare curve in hun poging om een glimlach te toveren.

´Je hebt haar niet opgemerkt omdat je te druk was met je minnaar te zoenen´, krijste hij giftig terug, terwijl hij voorover leunde.

Katie pakte haar knuffelbeertje en ging verder op de vloer zitten, aandachtig kijkend naar ons tweeën. Vroeger brak ze meteen in huilen uit als iemand van ons tekeerging. De ruzies tussen mij en Tom waren geleidelijk aan geen verrassing meer voor haar.

Ik zei dat ik geen drama wilde waar zij bij was en stond op om naar haar toe te lopen.

´Je blijft hier!´ Mijn hoofd werd ineens naar achteren getrokken door zijn hand die een dikke pluk haar beetpakte. Stralen van afkeer uit mijn blik gingen recht op hem af.

Hij aarzelde even en verliet vervolgens de kamer. Een zucht van opluchting ontsnapte mij.

Katie kwam droevig naar me toe en klampte zich aan mijn trui vast. Met haar op schoot keek ik naar de klok en telde de minuten tot aan de nachtdienst van Tom op.

Hij kwam terug met een aansteker en een sigarettenpakje en liet zich hard op de fauteuil ploffen. Met bevende vingers stak hij een sigaret op en nam er begerend een trekje van.

´Weet je wat je bent? Je bent een hoer´, zei hij.

Ik zag hem van binnen borrelen. De sigarettenrook versluierde langzaam zijn gelaatstrekken, wat mij verontrustend aan een vulkaan deed denken die zijn krachten probeert te verbergen.

Ik drukte Katie stevig tegen me aan en bereidde me voor op de uitbarsting. De sfeer werd echter beheerst door een geniepige stilte. Alleen de televisie haalde steeds nieuwe beelden tevoorschijn, net als een goochelaar die nooit verveeld raakt van zijn trucs.

 

Ik ontmoette Nick bijna een jaar geleden in de metro, toen we allebei op weg van ons werk terug naar huis waren. Met mijn hoofd tegen het raam zat ik aan de lastige dag te denken die ik had doorgemaakt en die nog lang niet afgelopen was.

Hij staarde me aan vanuit zijn zitplaats schuin tegenover mij tot ik zijn blik voelde en chagrijnig mijn hoofd draaide. En daar was hij, mijn oude liefde van de middelbare school.

´Je hebt nog steeds die aanstekelijke glimlach van je, ´ grapte hij en ik barste in lachen uit.

In de maanden die volgden jaagde hij teder de tranen van eenzaamheid die ik thuis ruimschoots uitstortte weg. Ik voelde me veilig. Ik voelde me begrepen.

We spraken af dat ik Tom zou verlaten. Vanavond nog. Ik wachtte op het juiste moment.

 

´Sinds wanneer bedrieg je mij eigenlijk?´, liet me de stem van Tom schrikken.

Ik glimlachte wrang en keek langs hem heen uit het raam, diep in de donkere tuin: Sinds de nacht dat je mij midden in de winter buiten zette omdat ik weigerde met jou te vrijen; sinds Katie met hoge koorts in bed lag en jij - die met de buren feest stond te vieren - mij geïrriteerd naar huis stuurde, toen ik je vertelde dat ik je nodig had; sinds jij je glas port in mijn gezicht gooide en de spaghetti vernederend over mijn hoofd strooide alleen omdat ik je zus - die bij ons logeerde zonder een vinger uit te steken - niet bij ons aan tafel riep; sinds jij ons dochtertje van vijf schopte omdat ze niet wilde stoppen met huilen, klootzak.

Een harde klap tegen mijn wang deed plots mijn hersenen schudden. Ik zag hem niet aankomen.

´Wie is hij, trut? Wanneer begon je hier mee, hoor je me niet?`

Hij wachtte even op een antwoord met zijn kaken stijf op elkaar geklemd en drukte hatelijk zijn opgebrande sigaret op het koffieschoteltje dat al op tafel stond.

Voor de tweede keer trachtte ik dit gesprek te ontsnappen. Zonder een woord stond ik met Katie in mijn armen op, haastte me naar de deur en deed hem open. Ik holde naar boven toe maar ik verstijfde plots bij het horen van een oorverdovend geluid achter ons.

Geschokt draaide ik me om en zag verbaasd een flink gat in de ruit van de woonkamerdeur.

Verderop stond Tom, starend naar het bloed dat ritmisch uit zijn rechterarm naar buiten stroomde.

Ik bedekte Katie´s ogen snel met mijn hand en stuurde haar naar de slaapkamer.

De angst had mijn hoofd al leeg gezogen toen ik bij Tom kwam. ´Oh, God!, Oh, God!´ herhaalde ik steeds, radeloos heen en weer lopend, op zoek naar iets waarmee ik al dat bloed kon stoppen. Het spatte overal heen, op de vloer, op de muur, op mijn kleren en Tom´s kleren. Het leek al snel alsof we ons midden op een slagveld bevonden.

Een wintersjaal die aan de kapstok hing trok ten slotte mijn aandacht. In één beweging rukte ik hem los en wikkelde hem strak om de arm van Tom.

Het bloed verscheen koppig aan de oppervlakte en bleef als een fontein doorspuiten.

Ik gaf de moed op en belde de ambulance.

´Dit is jouw schuld´, zei Tom uitgeput tegen mij, voordat hij met de verpleegster mee ging.

 

Ik vond Katie boven aan de trap, wachtend met haar duimpje in de mond en met vragende ogen: `Komt het goed met papa?´ ´Het komt goed, lieverd´, troostte ik haar met een lange omhelzing.

De telefoon beneden begon zenuwachtig te rinkelen.

Het was Nick: ´Ik ben in de auto. Ik kan niet meer wachten tot ik jullie bij me heb.´

De indringende, zware geur van het bloed deed me wankelen. Ik zakte door mijn knieën op de vloer en legde mijn hoofd in mijn handen. Dit was niet wat ik wilde. Het moet niet op deze manier gebeuren. Katie zou het mij nooit vergeven als ik haar vader nu in de steek zou laten.

Als een echo weerkaatsten de woorden van Nick in mijn gedachten: ´Ik hou van jou´, Ik hou van jou...

 Ik liet de telefoon vallen en mijn tranen de vrije loop gaan.

 

Twee dagen later werd Tom uit het ziekenhuis ontslagen.

De zeurende maagpijn die ik in zijn aanwezigheid altijd voelde werd opnieuw aangewakkerd.

Met zijn arm in een mitella gaf hij Katie een vluchtige kus.

Hij negeerde mij volledig. Wat ik te vertellen had was echter belangrijk en ik volgde hem ongemerkt naar de keuken.

Vanuit de deuropening keek ik hoe hij zichzelf een glas rode wijn inschonk. Enkele druppels vielen op zijn geruite overhemd en hij mompelde geërgerd een scheldwoord.

Ik deed de deur achter mij dicht en maakte een paar stappen in zijn richting.

´Het spijt me´, zei ik, met mijn rug tegen het aanrecht leunend.

Zijn wenkbrauwen gingen in een lompe beweging omhoog.

´Wat spijt je? Dat je mijn leven verpest hebt, dat spijt je?´, vroeg hij sarcastisch. Hij schreeuwde niet, hij klonk alsof hij uit een boek aan het voorlezen was.

´Ja, het spijt me dat ik je leven verpest heb´, pakte ik zijn zin op, ´en het spijt me dat ik een verhouding had. Het was een domme keus van mij en het spijt me´, voegde ik snel aan toe en ademde diep in.

´Ik wil scheiden.´

Hij hief zijn gezonde arm op en boog zich over mij heen met de bedoeling om te slaan.

De deur ging open en Katie keek ons nieuwsgierig aan. Tom rechtte zich vlug op met een kortstondige grimas.

´Je krijgt haar niet!´ wierp hij vijandig in mijn richting en schreed de keuken uit.

Ik bleef een ogenblikje stilstaan, terwijl mijn blik op Katie´s lijf bevroor.

Langzamerhand ontspande ik en wenkte haar om dichterbij te komen: ´Zullen we samen pannenkoeken bakken, schat?`

                              (Overspel, wat bezielt ze uitgeverij Scelta Publishing 2013, bol.com)

 

 

Sneeuwuilen

 

Haar moeder is een gracieuze vrouw met porseleinen huid en donkerbruine lokken die ver tot over haar rug vallen. Naast haar voelt ze zich vrijwel onzichtbaar, en dat is voor een onzeker meisje zoals zij best frustrerend. `Wat ben je toch een mooie meid geworden, ´ hoort ze ineens haar stem. Verrast kijkt ze haar moeder aan. De trots en de liefde die ze in haar ogen vindt zetten haar twijfels tijdelijk opzij.

Samen gaan ze de dierentuin in, waar ze haar zestiende verjaardag zouden doorbrengen. Haar ´zestiende september´, zoals haar moeder het noemt.
Er is vandaag geen spoor van wolken te zien. De zon verleent een gouden glans aan de kleurrijke bladeren die op de grond liggen. Voor de eerste keer heeft ze geluk met het weer.
Toch zou ze willen dat haar vader met hen mee was gegaan. Helaas is hij steeds vaker somber en hij drinkt steeds meer. Hij begint uit het niets lange ruzies met haar moeder en geeft haar de schuld voor zijn drinkgedrag. ´Volgens hem gaat zij vreemd, maar mijn moeder zou dit nooit kunnen doen´, dacht ze.

Peinzend loopt ze naar het nest van de sneeuwuilen, haar favoriete dieren. Op het informatieplaatje leest ze aandachtig de groene letters: ´Sneeuwuilen leven monogaam, elk seizoen wordt er een nieuw huwelijk gesloten.´ Ze glimlacht en richt haar blik op een paar witte vogels met pluizig verenkleed. Met hun hypnotische ogen zitten ze dicht tegen elkaar aan als één levende sneeuwbal onder de septemberzon. Gefascineerd laat ze zich naar hun wereld ´ontvoeren.´ Ze vergeet alles. Slechts voor een moment is ze een wezen dat nooit iets anders heeft gedaan behalve er te zijn.

´Ella!´ hoort ze plotseling iemand achter haar roepen en ze draait zich verbaasd om. Het is haar nichtje Alice samen met Patrick, de broer van haar vader. Ze is elf en ze komt snel naar haar toe. ´Wat leuk om je hier te zien! Heb je mijn kaartje ontvangen?´ vraagt ze meteen en kust haar enthousiast op de wangen. Ze antwoordt haar dat ze die had gekregen en ze probeert snel een reden te verzinnen waarom ze haar verjaardag niet met de familie viert. Bijna niemand weet de waarheid over haar vader.
Haar zorgen blijken echter ongegrond want Alice pakt haar hand en trekt haar met zich mee: ´Kom, er is een DinoDome gebouwd, het is fun!´
Ze werpt haar moeder een blik van onmacht toe en gaat met haar nichtje de grot van de dinosaurussen in.

Terwijl ze gillend van de pret op de rug van een Mosasaurus proberen te klimmen, rusten hun ouders uit op een houten bankje. Ze weet dat haar moeder blij wordt als ze haar ziet genieten en wil haar bemoedigend toezwaaien.
Met de hand die even in de lucht bleef hangen dekt ze onmiddellijk haar ogen af om ze dan weer vrij te laten. Ze hoopt dat het haar verbeelding is. Maar nee, het is echt: haar moeder en haar oom zitten elkaar te zoenen, met de armen teder om elkaar heen geslagen!
Ze denken vast en zeker dat ze hen niet kunnen zien, helemaal gevangen in hun spel.

Haar lichaam voelt zwaar aan als ze met Alice naar beneden gaat en meldt dat ze zich misselijk voelt en naar huis wil. Ze zwijgt onderweg en kijkt met afkeer de andere kant op, bang dat haar moeder zich door haar ogen zou kunnen zien.
Thuis treffen ze haar vader slapend op de bank aan, met zijn mond wijd open en een flesje bier op de grond. Op zijn bleke gezicht herkent ze dezelfde nalatigheid en afwezigheid waarmee ze dagelijks te maken heeft. Opeens wordt ze overweldigd door een intens gevoel van medelijden met hem. Haar vader heeft gelijk. Haar moeder gaat vreemd.

´Ik moet het hem vertellen.´ Die gedachte kan ze gewoon niet uit haar hoofd zetten. Haar hele geest is in beslag genomen door dit idee. ´Als ik het hem vertel, dan kunnen mijn ouders het probleem eerlijk oplossen, ´ denkt zij, ´ is de reden voor zijn verslaving voorbij en keert de rust terug.´ Waarom voelt ze zich dan zelf een verrader?
Haar hart springt bijna uit haar borst als ze haar vader tegen het lijf loopt. Het liefst wil ze in een meubelstuk veranderen. Moet ze het hem vertellen of niet?

Vandaag is haar moeder weer gaan werken en haar vader heeft een woedeaanval. Vanuit haar kamer kan ze hem horen schreeuwen en hard tegen de keukendeur schoppen. Als ze naar de hal gaat om haar jas te pakken en zo snel mogelijk ervandoor te gaan, komt hij onverwachts naar haar toe.
Huilend als een kind knielt hij radeloos voor haar en pakt bibberend haar hand: ´Ella, ik hou zo veel van je moeder, wat moet ik doen, vertel jij het me dan.´ Ze perst haar lippen op elkaar en kijkt onwetend naar haar witte jas die op de vloer gevallen is. Sneeuwuilen.
Een golf van warmte neemt haar lichaam over en haar stem klonk nog nooit zo traag en verward als nu: ´Ze heeft Patrick gisteren in de dierentuin gezoend.´

Uitgeput valt ze op de bank in de woonkamer en volgt hem nieuwsgierig met haar blik.
Haar vader staat langzaam op en zijn grote gestalte maakt opeens geen indruk meer op haar. Zijn holle ogen blijven haar even aanstaren. Hij huilt niet meer.
Wankelend loopt hij naar het balkon toe en doet de grote gereedschapskast open. Ze weet dat hij zijn wodka voor haar moeder daar verborgen houdt.
Rustig neemt hij een paar slokjes uit een fles, draait de dop erop en zet hem terug in de kast.
Dan klimt hij in een flits over de rand van het balkon en kijkt haar kort aan.
Ze voelt alleen nog hoe haar voeten zich wanhopig haasten en haar armen zich ver naar voren strekken om hem vast te kunnen grijpen. ´Neeee, pap!´

Maar het is te laat. De afstand tussen hen is veel te groot.

                                                                         http://www.woordenstroom.org/html/michelle_thoth.html

Het zou zomaar kunnen  

 

Wanhopig, bedacht ze dat dit haar enige kans was.

De witte zielen verzamelden zich achter elkaar, in een betoverend lichtspel van verschillende kleuren. Ze bogen eerst afwisselend voor hem, terwijl hij met een strakke blik vanuit zijn gouden troon toekeek. Aan beide zijden zweefden engelen met zilverachtige vleugels die hemelse liedjes zongen.

Ze wachtte geduldig op het juiste moment, dan verschuilde ze zich onopvallend tussen twee grotere zielen in de rij. Het licht dat zij samen verspreidden maakte haar voorlopig onzichtbaar.

De engelen hielden op met hun gezang; alleen hun vleugels klapwiekten nog in de lucht.

Nieuwsgierig, richtte God zijn ogen op de eerste ziel, een man die het grootste deel van zijn leven in de gevangenis doorbracht. Zijn licht vloeide in dunne, blauwachtige golfen, met korte onderbrekingen.

‘Ik wil van mijn vrijheid leren genieten´, zei hij.

‘Goed’, antwoordde God en veranderde de eerste ziel in een zangvogel.

 De volgende ziel hoorde bij een kind dat ergens in een arm landstreek doodging. Zijn licht was puur met warme reflexen van oranje en geel aan de randen.

´Ik wil dorst kunnen lessen.´

God glimlachte. Er was maar één iemand die echt dorst kon lessen en dat was hij. De tweede ziel veranderde hij in een rivier.

Ze bewoog voorzichtig met de zielen mee naar voren. Nog even en ze kon zijn vertrouwde gezicht van dichtbij weerzien.

´Ik wil de taal van mensen leren´, zei de volgende ziel.

God keek hem verbaasd aan en draaide zich om naar de engel aan zijn linker kant.

De engel bladerde verstrooid door zijn agenda en stopte bij een toegevoegde bladzij. De ziel was van een trouwe hond die door zijn baas mishandeld was.

´Een mens…´, zei God, na een kort zwijgen. ´Dat zou je niet gelukkig maken. Je gaat met die twee zielen vóór je een plek voor meditatie vormen.´

Langs de rivier verscheen vervolgens een imposante wilgenboom.

De kroon met edelstenen op zijn hoofd gleed zachtjes naar voren toen de komende ziel naderde: troebele, rode lichtstralen slingerden als het ware om zijn reusachtige ego heen.

God fronste zijn voorhoofd en wenkte met zijn hand naar rechts.

De engel aan zijn rechterkant haalde een glazen weegschaal tevoorschijn. De ziel stapte hierop en de engelen schudden tegelijk met hun hoofd.

´Je bent te zwaar´, zei God. ´Laat me jouw levensboeken zien.´

De engelen verdeelden de weegschaal in twee schaaltjes en hingen die op aan een ijzeren ketting. Op een schaal zetten zij een dik zondenboek en op de andere het goededadenboek.

Het laatste hield slechts één verrichting in. Toch kantelde de weegschaal beslissend naar de weldaad toe.

God boog tevreden naar voren. Hij kneep zijn ogen tot spleetjes en stuurde een bliksemflits op de ziel af: zijn licht werd toen krachtig en warm, zonder duistere plekken.

De ziel werd een nieuwe zon aan de hemel en de engelen begonnen vreugdevol aan een loflied.

Maar toen kwam zij aan de beurt. Huiverend van angst, knielde zij snel voor hem neer.

De engelen braken abrupt hun ode af en keken geschrokken naar elkaar: ze gaf geen licht.

‘Ik…ik…´ Ze hield haar hoofd steeds naar de grond gericht.

´Jij staat verkeerd´, zei God. ´De rij van zwarte zielen is aan de achterkant.´ Zijn stem klonk als een zware zweepslag. Peinzend liet hij zijn wijsvinger langs zijn lippen glijden. Langzamerhand ontspande hij vervolgens zijn gezicht. ´Goed dan, wat wil jij?’

‘Ik wil opnieuw de vrouw van mijn man zijn.’ Ze hoorde haar eigen woorden nauwelijks. ´Ik wil alles goed maken.´

God knikte goedkeurend. ‘En wie is je man?’

Met een onvoorstelbare moeite tilde ze haar hoofd omhoog: ‘Adam van Eden.’